Neoconservatisme: Hoe Joodse belangen de rechtse politiek beheersen

Geschreven door:

Fabio Bellarmino D. Franco

Het neoconservatisme is een term waarvan ik vrijwel zeker weet dat weinig Nederlanders weten wat die inhoudt. Toch zou ik zeggen dat er geen andere beweging is die meer onderzoek verdient, en dat het misschien wel van groter belang is dan de veelbesproken Frankfurt School.

Wat ik vaak zie, is dat weinig Nederlanders begrijpen waarom het bestuderen van deze beweging van belang is, omdat het een fenomeen uit een ander land lijkt. Ook al is dat zo, gebeurt er niets in Amerika wat niet ook in Nederland gebeurt. Nederland is tot op zekere hoogte een provincie van Amerika: wat daar gebeurt, gebeurt hier. Dat geldt voor LGBTQ, Black Lives Matter, maar dus ook voor het neoconservatisme. Die Syriërs, Afghanen en Irakezen die je de laatste twintig jaar opeens in je wijk ziet, komen daar niet zomaar terecht, maar vanwege joods-neoconservatief beleid, en dus heeft dit direct betrekking op Nederland. Zoals Thierry Baudet op 16 oktober 2019 in de Tweede Kamer zei, toen Turkije het noordoosten van Syrië binnenviel:

“Ik breng in herinnering: een oorlog in Irak om het oude Mesopotamië een poldermodel aan de Eufraat te geven. Het gevolg: minstens 500.000 doden, totale destabilisatie van de regio en een machtsvacuüm waarin uiteindelijk ISIS ontstond. Afghanistan, Libië, precies hetzelfde verhaal. Miljarden euro’s aan kosten, tientallen gesneuvelde Nederlandse militairen en migratieroutes waarlangs inmiddels al miljoenen Afrikanen en Arabieren naar Europa zijn gekomen. Dat is het gevolg. … En de oppositie tegen Assad werd steeds gewelddadiger, tot op het punt dat we zelfs jihadistische groepen financieel en materieel gingen supporten.

De ontwikkeling van het neoconservatisme is opmerkelijk, niet alleen vanwege hoe snel het opkwam maar ook vanwege hoe standvastig en invloedrijk het vandaag de dag nog steeds is. Wat begon als een kleine kring van intellectuelen is uitgegroeid tot een uitgestrekt netwerk dat nu de media, denktanks en politieke partijen doordringt.

Zo werd bijvoorbeeld Geert Wilders’ strafproces betaald door de neoconservatief van Joodse afkomst Daniel Pipes, oprichter-directeur van het Middle East Forum.

Ook werd in 2014 en 2016 meer dan een ton gedoneerd door de David Horowitz Foundation, een stichting van de neoconservatieve David Horowitz, eveneens van Joodse afkomst. Horowitz is de zoon van ouders die hun banen verloren tijdens de McCarthy-periode omdat zij lid waren van de Communistische Partij.


Joden en het links radicalisme

In de analyse van het neoconservatisme speelt die radicaal-linkse achtergrond van velen van hen een grote rol. Joden waren in sterke mate oververtegenwoordigd binnen het Amerikaanse radicalisme en de Communistische Partij van de Verenigde Staten. In de jaren zestig speelden Joodse studenten een zeer prominente rol binnen de New Left, waarbij zij organisaties domineerden of er sterke invloed op uitoefenden. Aan de Universiteit van Chicago stelde Richard Flacks bijvoorbeeld vast:

“Van belang is ook, hoewel niet bijzonder verrassend, het feit dat activisten vaker Joods zijn dan niet-activisten. (Zo gaf 45% van onze SAR-steekproef aan Joods te zijn, terwijl slechts ongeveer een kwart van de niet-deelnemers Joods was.)”

Binnen de Communist Party USA (CPUSA) schat historicus Harvey Klehr dat Joden van 1921 tot 1961 een derde van het Centraal Comité vormden en dat hun aandeel vaak boven de 40 procent lag.

Een bijzonder veelzeggend verschijnsel deed zich voor binnen de CPUSA en zal ook centraal staan in de analyse van het neoconservatisme. Ik noem dit fenomeen de “Joodse zigzag”. Ondanks hun enthousiasme en sterke oververtegenwoordiging nam de Joodse steun voor de CPUSA herhaaldelijk af zodra de partij in navolging van de Sovjet-Unie een anti-zionistische koers ging varen. Dit wijst erop dat voor veel Joodse communisten hun Joodse identiteit uiteindelijk belangrijker bleek dan hun toewijding aan het communisme.

Hiervoor vinden we een opmerkelijke bevestiging in het denken van Moses Hess (1812–1875), een vroege socialist en voorloper van het zionisme, wiens stoffelijke resten in 1961 naar Israël werden overgebracht. Hess oefende een grote invloed uit op Karl Marx en Friedrich Engels voordat hij later met hen in conflict kwam. In zijn werk Rome and Jerusalem schreef Hess:

“De vrome Jood is boven alles een Joodse patriot. De ‘nieuwe’ Jood, die het bestaan van de Joodse nationaliteit ontkent, is niet alleen een deserteur in religieuze zin, maar ook een verrader van zijn volk, zijn ras en zelfs van zijn familie. Als het waar zou zijn dat Joodse emancipatie in de diaspora onverenigbaar is met de Joodse nationaliteit, dan zouden de Joden de plicht hebben het eerste op te offeren ten behoeve van het laatste.

-Rome and Jerusalem, Fourth Letter, Moses Hess

Zo beschrijft Paul Lyons in Philadelphia Communists, 1936–1956 hoe een communistische club in Philadelphia onder druk kwam te staan wanneer Joodse belangen botsten met het communisme. De club, die uit ongeveer 150 tot 200 gezinnen bestond, kreeg in toenemende mate te maken met spanningen rond de Joodse identiteit, vooral in relatie tot Israël. Halverwege de jaren zestig ontstond een conflict over het besluit van de club om de behandeling van Joden in de Sovjet-Unie te bekritiseren. Enkele orthodoxe pro-Sovjetleden namen daarop ontslag. Anderen waren het oneens, maar bleven lid. Ondertussen veranderde de club zelf. Zij werd minder marxistisch en meer zionistisch. Tijdens de oorlog in het Midden-Oosten van 1967, zo verklaarde clubleider Ben Green, “werden we één week lang dogmatisch”. Discussie over de vraag of steun aan Israël terecht was, werd niet toegestaan. In plaats daarvan zamelde men eenvoudig geld in om volle steun aan Israël te betuigen.

Diezelfde ontwikkeling was ook zichtbaar in Groot-Brittannië. Geoffrey Alderman beschrijft in The Jewish Community in British Politics hoe Joden uit de Communistische Partij verdwenen of, zoals professor Levy, eruit werden gezet. Op lokaal niveau verdween geleidelijk de bijzondere politieke sfeer van de jaren dertig en veertig, die sterke banden had gesmeed tussen de partij en de Joodse arbeidersbevolking. Nog in 1965 werd geschat dat Joden ongeveer 10 procent van het partijlidmaatschap vormden. De enthousiaste massale aanhang die de partij ooit onder Joodse kiezers had gehad, was na 1967 echter volledig verdwenen.

De grote schok van de Zesdaagse Oorlog van 1967 speelde de belangrijkste rol in de verschuiving onder Joden van links naar het neoconservatisme. Links-radicalen kregen volgens Joden antisemitische trekken wegens hun oppositie tegen Israël. Veel Joden die zich generaties lang zonder moeite met links hadden geïdentificeerd, begonnen te beseffen dat hun belangen door links niet langer slechts werden verwaarloosd, maar zelfs werden tegengewerkt.


De Geboorte van Neoconservatisme

Vanuit deze verschuiving is de neoconservatieve beweging geboren. Wie de beweging onderzoekt, merkt al snel wat de voorgaande voorbeelden ook laten zien: zij bestaat vrijwel volledig uit voormalige linkse Joden. Wat betreft de “Joodse zigzag” die ik eerder noemde, kunnen de late jaren zestig worden gezien als een definitieve breuk van veel Joden met hun vroegere socialistische of “liberale” verleden. (Ik geloof niet dat de neoconservatieven ooit echt braken met het liberalisme.)

Zo was het ook met wat ik de twee belangrijkste neoconservatieven zou noemen. Irving Kristol, “The Godfather of Neoconservatism”, zat op de universiteit in de Young People’s Socialist League en maakte deel uit van een kleine maar uitgesproken groep trotskistische anti-Sovjets. Ook Norman Podhoretz groeide op in een linkse familie. Hij was schrijver voor het tijdschrift Commentary (de neocon-“bijbel”) en diende van 1960 tot 1995 als hoofdredacteur. Naarmate de jaren zestig vorderden, begon Podhoretz afstand te nemen van het links-radicalisme. Zijn breuk met links verliep geleidelijk. Die begon rond 1967, maar in 1970 was zijn overgang naar het neoconservatisme voltooid. Kristol was zijn mentor, hoewel de twee aanvankelijk op gespannen voet stonden. Er zijn uiteraard nog veel andere figuren die een belangrijke rol speelden in de vorming van het neoconservatisme, zoals Sidney Hook, een voorloper, en Leo Strauss, een filosoof van het neoconservatisme.

De neocons deelden één kenmerk met de New Left waarvan zij zich afsplitsten: Joods leiderschap. Links-georiënteerden als Abbie Hoffman, Jerry Rubin en Sidney Blumenthal stonden aan de ene kant, Kristol, Podhoretz en Glazer aan de andere. De belangrijkste publicaties aan beide kanten van de scheiding werden eveneens door Joden geleid. Dat gold voor Commentary (Norman Podhoretz), The Public Interest (Irving Kristol) en The New York Review of Books (Robert Silvers, Barbara Epstein en Jason Epstein).

Norman Podhoretz is van grote betekenis voor de definitie van het neoconservatisme. Richard Gid Powers beschrijft in Not Without Honor: The History of American Anticommunism (p. 340-341) hoe in de somberste winterdagen van het Amerikaanse anticommunisme bij Podhoretz het eerste teken van nieuw leven zichtbaar werd. Tegenover de onzekerheid en het pessimisme van de vermoeide veteranen van de oude zaak stelde hij de wil, de kracht en de verbeeldingskracht om de anticommunistische coalitie opnieuw op te bouwen. Dat deed hij als redacteur van Commentary, het tijdschrift van het American Jewish Committee.

De Sovjet-Unie vormde een directe bedreiging voor Israël door haar sterke steun aan de omringende Arabische staten. Deze realiteit verklaart voor een groot deel de felle anti-Sovjethouding van de Joodse neocons. Omdat de Democratische Partij zelf al decennialang sterk anti-Sovjet was en beide partijen nog anticommunistisch waren, zagen de neocons weinig reden om van partij te wisselen. Het is echter wel opmerkelijk dat “conservatieven” nog enige tijd op de Democraten bleven stemmen. Met uitzondering van Kristol, die in 1968 op Nixon stemde, en Moynihan die toetrad tot de regering-Nixon, bleven de neocons loyale Democraten. Volgens de meeste neocons brak McGovern in 1972 met de anticommunistische traditie van de Democratische Partij. Zijn oproep tot samenwerking met de Sovjet-Unie negeerde of minimaliseerde volgens hen de gevaren van het agressieve beleid van dat land. Hun militante anti-Sovjetisme was simpelweg belangrijker voor hen dan een rigide loyaliteit aan de Democratische of Republikeinse ideologie. Hun loyaliteit was aan Israël en aan de partij die Israël steunde. Zo schrijft Murray Friedman in zijn boek The Neoconservative Revolution:

“Het nieuwe antisemitisme bereikte zijn hoogtepunt toen de Verenigde Naties, ondanks bezwaar van de Verenigde Staten, een resolutie aannamen waarin zionisme gelijkgesteld werd aan racisme. Tegen die tijd was Podhoretz ervan overtuigd dat de naoorlogse ‘statute of limitations’ op antisemitisme niet langer van kracht was. Steeds vaker geloofden neocons dat het voortbestaan van de Joodse staat, en zelfs het overleven van de Joodse gemeenschap, afhankelijk was van de Amerikaanse militaire macht en haar confrontatie met de Sovjet-Unie, de belangrijkste steunpilaar van de Arabische landen in het Midden-Oosten. De meest fanatieke vijanden van Joden en Israël bevonden zich volgens Podhoretz niet langer rechts, maar links.

-The Neoconservative Revolution, Murray Friedman, p. 148

Aanvankelijk stelde Podhoretz Commentary in de vroege jaren zestig open voor stemmen uit de tegencultuur en de New Left. Tegen het einde van dat decennium keerde hij zich echter tegen wat hij zag als de excessen van de anti-oorlogsbeweging, de tegencultuur, zwarte radicalen en liberale “appeasement”. Daarmee gaf hij het neoconservatisme een krachtig platform en blijvende politieke invloed. Zonder hem zou de beweging veel minder zichtbaar en invloedrijk zijn geweest. Die strijdlust kenmerkte de beweging als geheel. Gary Dorrien merkt in The Neoconservative Mind op dat de neoconservatieven minder geïnteresseerd leken in dialoog met tegenstanders dan in het vernietigen van hen. Bij dat oordeel had hij zeker Podhoretz in gedachten.

Voor de neocons staan de belangen van het Joodse volk en de staat Israël altijd op de eerste plaats en nee dit is geen conspiracy. In 1972 legde Norman Podhoretz vast wat waarschijnlijk de belangrijkste doctrine van de beweging is: “Is it good for the Jews?

Decennialang na de Tweede Wereldoorlog beleefden Joden in Amerika een ongekende periode van succes, veiligheid en acceptatie. Tijdens dit tijdperk grofweg van het einde van de Tweede Wereldoorlog tot halverwege of eind jaren zestig hoefden Joden zich niet af te vragen of iets “goed was voor de Joden”, zoals Norman Podhoretz schreef:

“Tijdens de periode van het einde van de Tweede Wereldoorlog tot het midden of het late deel van de jaren zestig hoefden Joden zich niet af te vragen of iets goed was voor de Joden, om de eenvoudige en afdoende reden dat in Amerika tenminste vrijwel alles goed was voor de Joden. Antisemitisme bestond nog steeds, vooral aan de politieke rechterzijde, maar het was zo in diskrediet gebracht door de associatie met de naam Hitler dat niemand die een respectabele status nastreefde in het Amerikaanse openbare leven openlijk antisemitische sentimenten durfde te uiten of antisemitisme durfde te gebruiken om steun van anderen te verkrijgen. De straf was onmiddellijke verbanning uit de wereld van aanvaardbare meningen.

-Commentary, “Is It Good for the Jews?”, Norman Podhoretz, 1972.

De Zesdaagse Oorlog en de nasleep ervan markeerden ook in de VS een keerpunt. Wat een periode van opmerkelijke veiligheid en acceptatie voor Joden in de Verenigde Staten was geweest, maakte plaats voor een stijging van vijandigheid:

Als men een eenvoudige numerieke telling zou maken van onvriendelijke verwijzingen naar Joden in de publieke pers sinds, zeg, 1967 — de datum van de Zesdaagse Oorlog toen zoveel intellectuelen van radicale strekking of sympathie reageerden op de overwinning van Israël met een “antizionisme” dat niet altijd gemakkelijk te onderscheiden was van het oude antisemitisme, en tevens de datum die het begin markeerde van de vreselijke strijd over de New Yorkse scholen, een strijd waarin zwart antisemitisme, hoeveel of hoe weinig ervan er ook in de zwarte gemeenschap als geheel mocht zijn, voor het eerst in brede publieke aandacht explodeerde, … zou men zeker een spectaculaire toename vinden in het volume van anti-Joodse uitingen vergeleken met welke periode van dezelfde lengte ook in de jaren vijftig of begin jaren zestig.

-Commentary, “Is It Good for the Jews?”, Norman Podhoretz, 1972.

Voor Norman Podhoretz was de les van de periode na 1967 onmiskenbaar. Het tijdperk van automatische veiligheid en welwillendheid was voorbij en een nieuwe realiteit vroeg om een nieuwe aanpak. Joden konden het zich niet langer veroorloven passief te zijn in hun visie. In plaats daarvan was een duidelijke en onbeschroomde tactiek vereist: Joodse belangen moeten op de eerste plaats komen. Podhoretz betoogt:

"Ik denk dat Joden opnieuw moeten beginnen voorstellen en beleid te bekijken vanuit het standpunt van het Joodse belang, en opnieuw moeten beginnen te vragen wat de gevolgen, als die er zijn, van enig voorstel of beleid waarschijnlijk zullen zijn voor zover het de Joodse positie betreft. … En als de Joden er niet in slagen voor het Joodse belang te spreken, kunnen we er zeker van zijn dat maatregelen zullen worden genomen zonder rekening te houden met welke slechte gevolgen ze ook onontkoombaar, zelfs onbedoeld, voor de Joden zouden kunnen hebben. Maar de Joden kunnen alleen effectief voor hun eigen belang spreken als ze het feit aanvaarden dat ze een belang hebben dat kan verschillen of conflicteren met de belangen van anderen. … Ik raad de Joden dus niet aan zich terug te trekken in een zelfzuchtig provincialisme. Niets van wat ik hier zeg is bedoeld om te impliceren dat Joden geen of geen andere belangen zouden moeten hebben dan het strikt Joodse belang. Ik zeg niet dat Joden moeten beginnen en eindigen met het Joodse belang; ik zeg alleen dat ze ermee moeten beginnen, dat het de eerste in plaats van de laatste overweging moet zijn die in hun gedachten opkomt, en dat ze lang en hard moeten nadenken voordat ze ermee instemmen het te laten compromitteren of helemaal weg te onderhandelen — hoewel ze natuurlijk, zelfs als ze het er niet mee eens zijn, bij gebrek aan macht gedwongen kunnen worden het te zien compromitteren."

-Commentary, “Is It Good for the Jews?”, Norman Podhoretz, 1972.

Podhoretz zegt in 1972 hardop wat vandaag de dag als een antisemitisch complot zou worden gezien. Niet Amerika eerst, maar: is het goed voor de Joden? Dat is de kern van dit artikel en de belangrijkste doctrine van het neoconservatisme. Wie beleid eerst toetst aan het Joodse belang, is logischerwijs ook pro-Israël.


CONSERVATIEF?

Dit roept ook een andere vraag op, wat is er precies “conservatief” of “traditioneel” aan het neoconservatisme? 

Een van de weinige politici die dit ooit helder heeft benoemd en misschien zelfs de enige in de Nederlandse geschiedenis, is Thierry Baudet. Hij durfde daar iets te zeggen wat vrijwel niemand anders aandurft. Aan zijn gezichtsuitdrukking was wel te zien dat het publiek nog niet echt begreep wat hij zei. Het is simpelweg zo nieuw en zo ingewikkeld voor veel Nederlanders, dat Baudet zelf al aangaf dat ze het later vast wel zouden gaan begrijpen:

"Zionistisch rechts is nu los van traditionalistisch rechts. Heel lang is dat natuurlijk een koppeling geweest. Is het jullie nooit opgevallen dat alle succesvolle rechtse politici allemaal met Israël-vlaggen werden gefotografeerd? Is dat jullie ooit opgevallen? Zeg ik nu iets heel nieuws? Ik Zeg iets nieuws hè? Let maar eens op. Dus alle nieuwe rechtse, patriottische, nationalistische, anti-immigratie, pro-Europa-bewegingen die allemaal succesvol zijn geworden: allemaal hadden de leiders grote Israël-vlaggen. Wilders, Le Pen, Orbán, Vox, Meloni. Het is een patroon. Waarom is dat? Dat is omdat er eigenlijk binnen de rechtse stroming — of rechts, rechts is maar een woord — een hele sterke associatie met neoconservatisme was. Maar dat is eigenlijk helemaal niet ons verhaal. Dus nu er een splitsing is, is dat heel goed. Dus je krijgt aan de ene kant zionistisch rechts en aan de andere kant traditionalistisch rechts. Dat is wel bijzonder. Over een maand of twee of zo, dan landt dit wel. Maakt niet uit, komt wel."

Toen ik eerder zei dat ik het neoconservatisme niet echt als een breuk met het liberalisme zie bedoelde ik in wezen dat het een vorm van revisionistisch liberalisme is. Het label “conservatief” is zeer misleidend omdat het neoconservatisme weinig gemeen heeft met het traditionele conservatisme wat ook wel paleoconservatisme genoemd wordt. In veel opzichten zijn de twee zelfs directe tegenpolen. De vroege neocons hadden nauwelijks een religieuze basis terwijl religie voor de meeste paleoconservatieven juist het centrum van hun wereldbeeld was. Op morele en sociale kwesties waren ze opvallend ondogmatisch. Podhoretz gaf dat zelf toe. Over abortus zei hij: “Ondanks wat de paleoconservatieven denken bestaat hier geen duidelijk identificeerbaar neoconservatief standpunt.” Er bestond geen duidelijk identificeerbaar neoconservatief standpunt over abortus net als over andere morele kwesties.

In het boek Jews in American Politics van L. Sandy Maisel, wordt het onderscheid tussen neoconservatieven en paleoconservatieven goed weergegeven. In een essay uit 1988 in Commentary benadrukte Dan Himmelfarb van Joodse afkomst en de hoofdredacteur van The Public Interest, de verschillen tussen traditionele conservatieven en de neoconservatieven, een groep die grotendeels bestaat uit Joden die zich van het hedendaagse liberalisme hadden afgekeerd. De traditionalisten, aldus Himmelfarb, maakten deel uit van de klassieke conservatieve traditie die teruggaat tot Edmund Burke en Thomas Carlyle, een traditie die religie, sociale hiërarchie en status waardeerde. De neoconservatieven daarentegen waren erfgenamen van de liberale traditie van de achttiende en negentiende eeuw, die vrije markten, democratie, individualisme en gelijke kansen ondersteunde. Himmelfarb twijfelde of deze neoconservatieven überhaupt conservatieven genoemd moesten worden. Een betere naam zou volgens hem “paleoliberalen” zijn. 

Deze visie dat neoconservatisme geen echt conservatisme was maar eerder een vorm van liberalisme, werd door de neocons zelf openlijk bevestigd. Irving Kristol, citeerde in zijn boek Reflections of a Neoconservative:

Het (neoconservatisme) probeert “voorbij te reiken” aan het hedendaagse liberalisme op dezelfde manier als alle hervormingsbewegingen, religieus of politiek, dat doen: door terug te keren naar de oorspronkelijke bronnen van de liberale visie en energie, om zo de vervormde versie van liberalisme die nu de orthodoxie is, te corrigeren.”

-Reflections of a Neoconservative, Irving Kristol, p. 75.

Ook Norman Podhoretz bevestigt dit in zijn essay uit 1996:

"Voor zover zij (neocons) zich daarvan bewust waren, waren zij inderdaad nog steeds liberalen, die vochten om de traditionele principes van het liberalisme terug te winnen van de linkse krachten die het hadden gekaapt en gecorrumpeerd."

-Commentary, “Neoconservatism: A Eulogy”, Norman Podhoretz, 1996.

De neoconservatieven verschoven naar rechts en werden conservatieven genoemd niet omdat zij de oude conservatieve en religieuze tradities van de paleoconservatieven overnamen, maar omdat het liberalisme zelf was geradicaliseerd. De neoconservatieven kwamen onder vuur te liggen van paleoconservatieven. Paleoconservatieven en neoconservatieven kwamen voort uit twee verschillende intellectuele tradities, wat hen op een botsingskoers plaatste. Dan Himmelfarb beschreef ook dit belangrijke onderscheid, in zijn eerder genoemde essay uit 1988 in Commentary:

“Het fundamentele verschil tussen neoconservatisme en paleoconservatisme is dit: neoconservatieven behoren tot de traditie van liberale-democratische moderniteit, de traditie van Montesquieu, Madison en Tocqueville; paleoconservatieven zijn de erfgenamen van de christelijke en aristocratische middeleeuwen, van Augustinus, Aquino en Hooker. De principes van het neoconservatisme zijn individuele vrijheid, zelfbestuur en gelijke kansen; die van het paleoconservatisme zijn religieus — vooral christelijk — geloof, hiërarchie en traditie.

Neoconservatieven zijn anticommunistisch omdat communisme de vijand is van vrijheid en democratie, paleoconservatieven omdat het de vijand is van religie, traditie en hiërarchie. Voor neoconservatieven is het relevante onderscheid tussen Oost en West niet het onderscheid tussen atheïsme en geloof (zoals voor paleoconservatieven), noch het onderscheid tussen socialisme en kapitalisme (zoals voor sommige libertariërs). …  Paleoconservatieven bekritiseren het neoconservatieve anti-communisme, dat Gottfried en Fleming identificeren met een ‘globale democratische revolutie’. Deze visie op wereldwijde democratie is ‘seculier’ en ‘politiek en seksueel egalitair’, en daarmee ‘even ver verwijderd van een traditionalistisch wereldbeeld als van het marxisme-leninisme’.”

Paleoconservatisme is het conservatisme van christenen, neoconservatisme is het conservatisme van Joden. Voor Russell Kirk de leidende paleoconservatieve politieke filosoof waren de neoconservatieven een subversieve factor binnen rechts Amerika. Vooraanstaande traditionalistische intellectuelen waren het met Himmelfarb eens dat de neoconservatieven in cruciale opzichten vreemden waren voor de conservatieve orthodoxie. Russell Kirk een gerespecteerd figuur binnen rechts Amerika beschreef de neoconservatieven als een “kleine sekte gewantrouwd en bekritiseerd door veel leiders van wat wij de gevestigde conservatieven zouden kunnen noemen die af en toe verklaren dat de meeste neoconservatieven vooral op zoek zijn naar positie en aanzien.” De neoconservatieven zo stelde Kirk schoten tekort “in het begrip van de menselijke conditie en in het besef van de verzamelde wijsheid van onze beschaving.” In plaats daarvan gaven zij de voorkeur aan “ideologische sloganisering, de dood van de politieke verbeelding.” Kirk had gelijk dat er diepe verschillen waren tussen de traditionalistische conservatieven en de neoconservatieven.

Een ander belangrijk aspect van het neoconservatisme is het veelbesproken pragmatisme. Het neoconservatisme louter als pragmatisch omschrijven is echter onvoldoende. Voor de neocons was er één sturend principe dat hun politiek bepaalde: Israël. Hun soort pragmatisme was daarom niet neutraal, maar bijna volledig ondergeschikt aan de Israëlische belangen op elk gegeven moment. Dit Israël-centrische wereldbeeld werd een belangrijke bron van conflict met de paleoconservatieven.

"Het heeft er niet zelden op geleken," verklaarde Russell Kirk ooit, "alsof sommige prominente neoconservatieven Tel Aviv aanzagen voor de hoofdstad van de Verenigde Staten."

De gehele neoconservatieve beweging is een overname van de conservatieve beweging door Joodse liberalen, waarbij de Republikeinse Partij als hun primaire voertuig diende.  Paleoconservatief Clyde Wilson waarschuwde in 1986, later aangehaald in Jews in American Politics:

“De offensieven van het radicalisme hebben enorme kuddes liberalen over de grens naar ons grondgebied gedreven,zei hij. Die vluchtelingen, de neocons, spraken inmiddels in hun naam, Deze vluchtelingen spreken nu in onze naam, maar de taal die ze spreken is dezelfde die ze altijd gesproken hebben. We zijn ermee vertrouwd geraakt, hebben geleerd het te tolereren, maar het is alleen te tolereren in contrast met de harde lettergrepen van de barbaren over de grens. Het bevat geen woorden voor de dingen die wij waarderen. Ons erfgoed is overgenomen door een bedrieger, net toen we op het punt stonden het te erven.

Op een gegeven moment was het inderdaad zover, het oude conservatisme was volledig overgenomen door voornamelijk voormalig linkse Joden. De Republikeinse Partij was niet meer wat zij ooit was. Irving Kristol en Norman Podhoretz benadrukten in de jaren negentig dat er geen substantiële verschillen meer tussen de twee groepen bestonden, omdat het oude conservatisme zijn macht volledig had verloren. Kristol zei toen: “hoewel de accenten zelfs tot op de dag van vandaag verschillen, is er meer eensgezindheid dan wrijving.” Neoconservatisme, stelde hij, was “een generatieverschijnsel, en is nu grotendeels opgenomen in een groter, meer omvattend conservatisme.

Ook Podhoretz was zich er zeer van bewust dat de paleocons hen zagen als een subversieve groep die probeerde de Republikeinse Partij over te nemen:

"Onder degenen die ontkennen dat neoconservatisme dood is, bevinden zich zijn vijanden aan de rechterzijde, de zogenaamde paleoconservatieven, die het al lang beschouwen als een sinistere kracht — in beide betekenissen van het woord sinister. Voor hen is neoconservatisme niet alleen slecht, maar, zoals Human Events het onlangs stelde in een aanval op de nieuwe Weekly Standard en zijn redacteur William Kristol, een soort “Trojaans Paard…, een voertuig om de [Republikeinse] partij naar links te verschuiven.

-Commentary, Neoconservatism: A Eulogy, Norman Podhoretz, 1996.

In Podhoretz’ “Neoconservatism: A Eulogy” verklaart Podhoretz dat het neoconservatisme dood is. Niet omdat het mislukt is, maar omdat het zo geslaagd is dat het niet langer als aparte beweging bestaat. Dat was de totale overwinning zoals die bedoeld was:

"Maar laat me eerst uitleggen waarom ik geloof dat neoconservatisme dood is — waarmee ik, terugkomend van metafoor naar directe betekenis, heel eenvoudig bedoel dat het niet langer bestaat als een afzonderlijk fenomeen dat een eigen speciale naam vereist. … Omdat ik zo lang neoconservatief ben geweest dat ik misschien een paleoneoconservatief genoemd zou moeten worden, heb ik alle reden om het verdwijnen van deze beweging of stroming te betreuren. En toch moet ik bekennen dat zijn dood mij meer een gelegenheid voor viering lijkt dan voor droefheid. Want wat neoconservatisme heeft gedood was niet nederlaag maar overwinning; het stierf niet aan falen maar aan succes. … Ik bedoel te zeggen dat dit geen tijd is voor rouw of voor vrees of voor angst, maar een tijd voor tevredenheid over een rechtvaardige oorlog die goed is gevochten, en een tijd om te juichen over een reeks overwinningen die de weg hebben vrijgemaakt en het toneel hebben gezet voor andere overwinningen in de jaren die komen."

-Commentary, Neoconservatism: A Eulogy, Norman Podhoretz, 1996.

“Het stierf niet aan falen maar aan succes.” Zo was tegen de jaren negentig de overwinning van het neoconservatisme compleet. Ze hadden gewonnen. De Republikeinse Partij, het hart van de Amerikaanse conservatieve beweging, was grondig geïnfiltreerd en getransformeerd door neoconservatieven, precies zoals de paleoconservatieven hadden gevreesd. Vanaf dat moment zou je inderdaad kunnen zeggen zoals Russell Kirk het formuleerde dat Tel Aviv de nieuwe hoofdstad van de Verenigde Staten was geworden. Deze overname begon met de Reagan-revolutie en werd alleen maar sterker in de decennia die volgden.


DE REPUBLIKEINSE PARTIJ & DE REAGAN-REVOLUTIE

Na de verkiezingen in de Nixon-Ford-jaren werd niet langer geprobeerd de Sovjet-Unie te vernietigen, maar vooral voorkomen dat het conflict verder zou oplopen tot iets nog groters. Deze aanpak leidde in 1972 tot de ondertekening van het SALT I-verdrag. Dat verdrag vormde het hoogtepunt van de détente, een periode van ontspanning tijdens de Koude Oorlog. Het belangrijkste doel was de nucleaire wapenwedloop te remmen door het aantal strategische wapens van beide supermachten te bevriezen. Voor de neocons vormde dit een grote bedreiging, omdat het voor het voortbestaan van Israël noodzakelijk was om de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie te winnen.

Nixon's presidentschap is misschien wel een van de interessantste gebeurtenissen in de analyse van het neoconservatisme. Er kan misschien wel gesteld worden dat hij de laatste échte Republikeinse president was. Op 9 augustus 1974 nam hij ontslag vanwege het Watergateschandaal, wat op zichzelf ook een artikel verdient. Interessant aan Nixon, is dat hij dingen over Joden benoemde die tegenwoordig als antisemitische complotten zouden worden gezien. Nixon was zich sterk bewust van het Joodse probleem, wat blijkt uit veel van de leaks rond het Watergateschandaal, maar ook uit wat hij in het openbaar zei.

Een van Nixons privégesprekken uit 1973 bevatte de opmerking dat het antisemitisme in de Verenigde Staten zou toenemen als Amerikaanse Joden “zich niet beter gaan gedragen.” Nixon deed die uitspraak op 21 februari 1973 in een telefoongesprek met de evangelist Billy Graham, waarin Graham beweerde dat Joods verzet tegen christelijke bekering antisemitisme veroorzaakte. Nixon zei:

Het antisemitisme is sterker dan we denken. Weet je, het is jammer. Maar dit is de Joden overkomen. Het is gebeurd in Spanje, het is gebeurd in Duitsland, het gebeurt, en nu gaat het in Amerika gebeuren als deze mensen zich niet beter gaan gedragen… misschien hebben ze wel een doodsverlangen. Weet je, dat is eeuwenlang het probleem geweest van onze Joodse vrienden.

In een ander gesprek met perschef Ron Ziegler en stafchef Bob Haldeman besprak Nixon de rol van ras en religie in spionage:

Nixon: “Al die Joden die we om ons heen hebben, blijven dichtbij, maar er is nu die vreemde kwaadaardigheid die zich onder hen lijkt te verspreiden. Ik weet het niet, radicalisme …”

Ziegler: “Het kon toch geen vent zijn met de naam Schneider?”

Nixon: “Die zijn er niet.

Haldeman: “[gniffelend] Dan zou het een Rosenstein zijn geweest die zijn naam heeft veranderd.

Ziegler: “[lacht] Dat is het. Precies. Het is altijd een Ellsberg.

Nixon:Het zijn allemaal Joden. Allemaal Joden. … Heel interessant: zo weinig van de mensen die aan spionage doen, zijn negers. Daar hebben we geluk mee. … Zij zijn meer het activistische type, ze gooien bommen en dat soort dingen. Maar de negers, heb je dat ooit opgemerkt? Er zijn verdomd weinig neger-spionnen.

Haldeman: “Ze zijn niet intellectueel genoeg. Niet slim genoeg.

Nixon: “Dat kan. … De Joden.. de Joden zijn geboren spionnen. Zie je hoeveel het er zijn? Ze zitten er tot aan hun nek in. … Ook arrogantie, arrogantie, dat maakt een spion. Hij stelt zichzelf boven de wet.

En ook in het zogenoemde “Nixon Jew Count” uit juli 1971, waarin Nixon spreekt over Joden binnen de Amerikaanse regering:

Ik wil kijken naar alle gevoelige gebieden waar Joden bij betrokken zijn... Kijk, de Joden zitten overal in de regering. En we moeten in die gebieden mensen krijgen. We moeten ervoor zorgen dat de man die de leiding heeft niet-Joods is, om de Joden te controleren... … Het ministerie zit vol met Joden. Ten tweede zijn de meeste Joden ontrouw. Over het algemeen kun je die klootzakken niet vertrouwen. Ze keren zich uiteindelijk tegen je. … Ze hebben bovendien een arrogante houding. En ze zijn slim en hebben het vermogen om te doen wat ze willen, namelijk ons schade toe te brengen.

Nixon was zich erg bewust van het probleem van Joodse macht in de regering en was ook een probleem voor Joden aangezien hij de relaties met de Sovjet-Unie probeerde te stabiliseren. Zo was hij de eerste Amerikaanse president die Moskou bezocht.

Ook de Democratische presidentskandidaat van 1972, George McGovern voerde campagne met een radicaal anti-oorlogsprogramma en volgens vele neocons brak met de Democratische traditie tegenover de Sovjet-Unie. Na de verkiezingen van 1972 kwamen verschillende ontevreden liberalen waaronder Max Kampelman, Jeane Kirkpatrick, Norman Podhoretz en Daniel Moynihan samen om de Coalition for a Democratic Majority (CDM) op te richten. Hun doel was om de Democratische Partij terug te winnen.

Toen democraat Jimmy Carter de presidentsverkiezingen van 1976 won van Gerald Ford, diende de Coalition for a Democratic Majority (CDM) een lijst in met zestig neoconservatieve figuren voor posities in de nieuwe regering. Onder de voorgestelde namen waren Jeane Kirkpatrick, Max Kampelman, Nathan Glazer en Richard Perle. Ze werden vrijwel volledig genegeerd. Carter zag de neocons als te oorlogszuchtig en te sterk gefixeerd op de Koude Oorlog. Hij hechtte weinig waarde aan waarschuwingen over Sovjet-expansionisme. Zoals hij tijdens zijn succesvolle campagne tegen Ford had betoogd, zouden economische en sociale problemen in de toekomst zwaarder wegen dan militaire en veiligheidsproblemen. Carter maakte het nog duidelijker in een toespraak op de universiteit van Notre Dame in 1977:

Nu we vertrouwen hebben in onze eigen toekomst, zijn we bevrijd van die buitensporige angst voor het communisme die ons er ooit toe bracht elke dictator te omarmen die zich bij ons aansloot in die angst. Ik ben blij dat dat aan het veranderen is. Te veel jaren zijn we bereid geweest de gebrekkige en foutieve principes en tactieken van onze tegenstanders over te nemen, waarbij we soms onze eigen waarden voor die van hen opgaven. We hebben vuur met vuur bestreden, zonder ooit te bedenken dat vuur beter geblust wordt met water. Deze aanpak faalde, waarbij Vietnam het beste voorbeeld is van haar intellectuele en morele armoede. Maar door falen hebben we nu onze weg teruggevonden naar onze eigen principes en waarden, en we hebben ons verloren vertrouwen teruggewonnen.

In de verkiezingen van 1980 leek er een grote verschuiving in het politieke gedrag van Joden gaande te zijn. Voor het eerst in vijfenzeventig jaar kreeg een Democratische presidentskandidaat, Jimmy Carter, maar 45% van de Joodse stemmen. Reagan behaalde een record van 39%.

Als er één beslissend moment was in de neoconservatieve overname van de Republikeinse Partij, dan was het de Reagan-revolutie. Reagan en de neocons waren een match made in heaven. Reagan was zelf lange tijd een liberale Democraat en vakbondsleider geweest voordat hij van partij wisselde. Dat maakte hem tot het ideale figuur om de deuren van de GOP te openen voor de neoconservatieve Joden, die eveneens een links verleden hadden.

Het was tijdens de Reagan-jaren dat de neocons voor het eerst echte macht en invloed kregen binnen de Republikeinse Partij en ze lieten die nooit meer los. Murray Friedman schrijft:

Reagan was een echte neocon. Het grootste deel van zijn leven was hij een liberale Democraat geweest. Pas in 1962 sloot hij zich aan bij de Republikeinse Partij. “Ik heb de Democratische Partij niet verlaten,” zei hij. “De Democratische Partij heeft mij verlaten.

-The Neoconservative Revolution door Murray Friedman p. 151

Reagan is het type man waar de paleocons zo bang voor waren. Een voormalige liberale Democraat zonder echte intellectuele traditie in het oude conservatisme, hier begon voor de neocons de overwinning. Norman Podhoretz zegt over hem:

“Het is in dit verband leerzaam om onszelf eraan te herinneren dat Ronald Reagan vakbondsleider was geweest en in die hoedanigheid communisten had bestreden; Reagan kan ook worden beschouwd als een van de eerste neoconservatieven, omdat hij het grootste deel van zijn politieke leven een liberale Democraat was geweest en pas op zijn eenenvijftigste Republikein werd.

Na zijn overwinning werd Commentary het favoriete politieke tijdschrift van het Witte Huis. Ongeveer zestig leden van de Committee on the Present Danger (CPD) waartoe Ronald Reagan sinds 1979 zelf ook officieel behoorde, konden voor de nieuwe president gaan werken.

Onder hen bevonden zich invloedrijke denkers en functionarissen zoals Jeane Kirkpatrick (de latere VN-ambassadeur), Richard Pipes (National Security Council) en Eugene Rostow (Director of the Arms Control and Disarmament Agency).

Enkelen van hen, met name de jongere generatie strategen zoals Paul Wolfowitz, Richard Perle en Elliott Abrams, zouden later uitgroeien tot de absolute sleutelfiguren en architecten van het buitenlands beleid in de latere Bush-regering. De neoconservatieve revolutie was begonnen. Gary Dorien benoemd deze overname:

"Het grootste deel van de jaren zeventig hadden de neoconservatieven geprobeerd de Democratische Partij te veranderen. Ze organiseerden de Coalition for a Democratic Majority om de partij te zuiveren van McGovernisme. Met de verkiezing van Ronald Reagan kregen ze echter lucratievere kansen. Zoals Podhoretz het stelde, sloten veel neoconservatieven zich aan bij “hen in de andere partij die onze vrienden wilden zijn”. Hun ideologische scherpte paste perfect bij de nieuwe president in de eerste jaren van zijn presidentschap. Neoconservatisme bereikte zijn politieke hoogtepunt halverwege de jaren tachtig. Reagan benoemde Jeane Kirkpatrick tot ambassadeur bij de Verenigde Naties nadat hij haar artikel in Commentary had gelezen over het verschil tussen dictatoriale en totalitaire regimes. Podhoretz’ schoonzoon, Elliott Abrams (Joods), werd benoemd tot assistent-secretaris van Buitenlandse Zaken voor internationale organisaties, verhuisde later naar de mensenrechtenafdeling en leidde vervolgens Reagans Centraal-Amerika-beleid als assistent-secretaris voor inter-Amerikaanse zaken. Richard Perle (Joods) werd assistent-secretaris van Defensie, Eugene Rostow (Joods) en Kenneth Adelman (Joods) dienden achtereenvolgens als directeur van het Arms Control and Disarmament Agency, Max Kampelman (Joods) leidde de wapenbeheersingsonderhandelingen van de regering, William Bennett stond aan het hoofd van het National Endowment for the Humanities en leidde later het Department of Education, Richard Pipes (Joods) leidde de Oost-Europa- en Sovjetzaken-divisie van de National Security Council, Chester Finn (Joods) en William Kristol (Joods) werkten voor het Department of Education, Linda Chavez (Joods) was stafdirecteur van de Amerikaanse Commissie voor Burgerrechten, Ben Wattenberg (Joods) kreeg adviesfuncties in het internationale communicatieapparaat, Gertrude Himmelfarb (Joods) kreeg een benoeming in de Raad van het National Endowment for the Humanities, en Novak leidde de Amerikaanse delegatie bij de Bern-conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. Hoewel Podhoretz (Joods) de post die hij wilde bij het U.S. Information Agency (USIA) niet kreeg, werd zijn boek The Present Danger beloond met een lovende aanbeveling van de nieuwe president, en hij werd vervolgens benoemd tot voorzitter van het New Directions Advisory Committee van de USIA. Neoconservatieven vulden ook talrijke lagere posities. The New Republic waarschuwde half serieus dat “Trotski’s wezen” de regering overnamen. Carl Gershman (Joods) werd door Kirkpatrick aangenomen als stafmedewerker, was adviseur van de Kissinger-commissie over Centraal-Amerika en werd later president van het National Endowment for Democracy. … Veel van de neoconservatieven werden Republikein en floreerden. Hoewel hun beladen achtergrond en hun ketterijen over de verzorgingsstaat hen ervan weerhielden posten te krijgen die de economische of welzijnsbeleid beïnvloedden, domineerden zij de terreinen van buitenlands beleid, defensie en onderwijsbeleid in de regering-Reagan."

-The Neoconservative Mind: Politics, Culture, and the War of Ideology, Gary J. Dorrien, p. 10/11.

Vanaf dit moment werd de GOP in feite overgenomen door een golf van voorheen linkse, voornamelijk Joden, met Ronald Reagan (zelf een voormalig Democraat) voorop. “Trotski’s wezen” namen inderdaad de GOP over.

Een opvallend niet-Joods voorbeeld in dit geheel is Jeane Kirkpatrick. Haar overstap laat scherp zien hoe links dit neoconservatief milieu nog was. Vlak voordat zij Republikein werd, publiceerde zij nog een artikel met de titel Why I Am Not a Republican. Ze was de Democraten beu, maar kon zich er nog steeds niet toe zetten zich bij de GOP aan te sluiten:

Het probleem is dat de Republikeinse Partij geen enkele inclusieve visie op het algemeen belang heeft gearticuleerd die zorg toont voor het welzijn van de hele gemeenschap. Tijdens de afgelopen halve eeuw of zo hebben Republikeinse woordvoerders consequent privé-zaken zoals zelfdiscipline en zelfredzaamheid benadrukt en hebben ze óf geen overtuigend beeld van het algemeen belang gehad, óf dat niet overgebracht. Het is aan de Democratische Partij overgelaten om duidelijk te maken dat mensen in een beschaafde samenleving voor elkaar moeten zorgen, en om, hoe onhandig ook, mechanismen daarvoor te bedenken.”

-The Neoconservative Vision: From the Cold War to the Culture Wars, Mark Gerson, P. 251/252.

Omdat Kirkpatrick niet Joods was, gingen veel van haar collega’s bij de Verenigde Naties ervan uit dat ze zich niet diepgaand zou bekommeren om Israël of het Joodse volk. Die veronderstelling was volkomen onjuist:

"Maar bij de VN gingen Kirkpatricks collega’s ervan uit dat het anders lag. Omdat ze niet Joods was, dachten ze dat ze zich niet écht zou inzetten voor het lot van Israël, maar meer zou lijken op veel van haar voorgangers: grotendeels sympathiserend met de Arabieren, behalve wanneer ze toegaf aan binnenlandse politieke overwegingen en de aanhoudende druk van een luidruchtige Joodse lobby. Kirkpatrick behoorde echter niet tot de oude establishment-school. Vroeg in haar academische carrière had ze samengewerkt met professor Franz Neumann en zich door dossiers geworsteld vol weerzinwekkende onthullingen over de naziconcentratiekampen (en later Stalins goelags). Jaren later zei ze eens: “Het was, is en blijft allemaal zo vers.” Die ervaring had haar diep getekend, en de schaduwen en stank van door de overheid georganiseerde massale dood, politiek geïnspireerd en wreed uitgevoerd door totalitaire regimes, maakten haar uiterst gevoelig voor de kwaadaardigheid van zulke regimes enerzijds, en het vreselijke lot van het Joodse volk anderzijds. Bovendien voelde Kirkpatrick zich door haar aard, temperament en karakter organisch verbonden met het lot van het Joodse volk, en even sterk verbonden met de toekomst van Israël. Net als Ronald Reagan zag Kirkpatrick in Israël vaak een weerspiegeling van Amerika: een jong land van harde werkers, pioniers die het land taai temden, een veerkrachtig en ondernemend volk, een samenleving rijk aan cultuur en kunst, een land dat in geest even pluralistisch was als in wetgeving en praktijk, een luidruchtige, ongetemde democratie. Zoals Amerika had het zijn gebreken. Maar alles bij elkaar bewonderden zij, en Reagan, dat taaie kleine democratie."

-On The Brink: The Dramatic Behind the Scenes Saga of the Reagan Era and the Men and Women Who Won the Cold War, Jay Winik, p. 235.

Minder dan een jaar na het begin van zijn presidentschap stond Ronald Reagan voor het Britse parlement en verklaarde openlijk zijn campagne voor democratie en ideologische oorlogsvoering tegen de Sovjet-Unie:

"Ik geloof dat de hernieuwde kracht van de democratische beweging, aangevuld met een wereldwijde campagne voor vrijheid, de vooruitzichten op wapenbeheersing en een wereld in vrede zal versterken. … Wat ik nu beschrijf is een plan en een hoop voor de lange termijn — de mars van vrijheid en democratie die het marxisme-leninisme op de ashoop van de geschiedenis zal achterlaten, zoals het dat met andere tirannieën heeft gedaan die de vrijheid verstikken en de zelfexpressie van het volk muilkorven."

-President Ronald Reagan, toespraak voor leden van het Britse parlement in de Royal Gallery van het Palace of Westminster in Londen, 8 juni 1982.

De Westminster-toespraak gaf ook geboorte aan een groot nieuw initiatief: National Endowment for Democracy (NED). Dit werd al snel een favoriet project van de neoconservatieven. Het NED pompte geld in pro-democratiegroepen en organisaties over de hele wereld om hen te helpen democratische hervormingen in hun eigen landen door te voeren:

"Uit de Westester-toespraak kwam een ander initiatief voort, het National Endowment for Democracy (NED), een speciale favoriet van de neocons, dat geld zou verstrekken aan overzeese organisaties die actief zijn in het bevorderen van democratie in hun landen. Reagan greep het idee op, dat voor het eerst was voorgesteld door de Georgetown University-professor Allen C. Weinstein (Joods). Om de leiding te nemen, wendde het NED zich tot een voormalig sociaaldemocraat, Gershman (Joods), een ex-medewerker van Bayard Rustin tijdens de burgerrechtenstrijd die nu met ambassadeur Kirkpatrick bij de VN werkte. Al snel was het NED achter het IJzeren Gordijn actief en kwam het de Poolse vakbond Solidariteit en de Tsjechische Charta 77-beweging te hulp. Een subsidie financierde de uitgave van een Russische versie van George Orwells Animal Farm, evenals andere antitotalitaire geschriften."

-The Neoconservative Revolution door Murray Friedman p. 155

Reagan zette zijn visie om in daden via een reeks hoogst geheime National Security Directives vanaf 1982. Deze richtlijnen riepen de Verenigde Staten op om de Sovjet-dominantie over Oost-Europa actief te “neutraliseren”. Reagan gaf expliciet toestemming voor geheime operaties en andere maatregelen om anti-Sovjetkrachten in de hele regio te steunen. Richard Pipes (vader van Daniel Pipes, die Wilders financierde), die Reagan tijdens de presidentscampagne had geadviseerd en deel uitmaakte van het transitieteam van het State Department, trad na de verkiezing toe tot de regering. Hij kwam terecht bij de staf van de National Security Council, waar hij het Oost-Europa- en Sovjetbureau leidde. Pipes kreeg de opdracht de onderliggende filosofie en strategie voor Reagans offensief tegen de Sovjet-Unie te ontwikkelen. Hij was de belangrijkste auteur van twee sleutelrichtlijnen: NSDD-32 en NSDD-75. In tegenstelling tot vorige regeringen steunde Reagan Oost-Europese dissidenten agressief met directe CIA-financiering.

Richard Perle werd benoemd op de belangrijke post van assistent-secretaris van Defensie voor internationaal veiligheidsbeleid, een functie die bekend stond als het “kleine State Department” van het Pentagon omdat hij het volledige spectrum van beleid omvatte, van relaties met de Sovjet-Unie, de NAVO en Europa tot economische en strategische kwesties. Perle arriveerde in november 1969 in Washington. Hij beschouwde zichzelf als sociaaldemocraat, liberaal op binnenlandse kwesties en vastberaden anticommunistisch op buitenlands beleid. Hij werkte met Henry Jackson in de gevechten over SALT I, het ABM-verdrag en SALT II. Hij hielp ook bij het ontwikkelen van de Jackson-Vanik-wetgeving in 1974, die als voornaamste doel had de Sovjets onder druk te zetten om Joden toe te staan de USSR te verlaten. Perle verwierp wat hij Carters “preutse moralisme” noemde en stemde, net als Morris Abram, voor het eerst in 1980 Republikeins bij een presidentsverkiezing. Zijn invloed in de Reagan-regering groeide uit de vertrouwensband met minister van Defensie Caspar Weinberger, evenals uit zijn formidabele intellect en ervaring in achterhoedegevechten tegen wapenbeheersing onder Jackson. Tijdens zijn jaren in Washington creëerde hij een netwerk van bondgenoten, vrienden en informanten in de inlichtingengemeenschap, het Capitool en elders in de regering, van wie de meesten nauw contact met hem hielden, zelfs terwijl ze hun gewone taken uitvoerden. Weinberger gaf hem een vrije hand in de omgang met Sovjet- en wapenbeheersingsbeleid en steunde hem consequent bij het Witte Huis. Als gevolg van zijn onbetwiste vaardigheden en wat sommige critici zijn machiavellistische politieke tactieken noemden, werd hij bekend als “the Prince of Darkness.”

Figuren als Jeane Kirkpatrick, Eugene Rostow, Norman Podhoretz, Richard Pipes en Richard Perle speelden een cruciale rol bij het vormgeven van het beleid van de Reagan-regering. Tegen het einde van de jaren tachtig waren Perles ideeën zo invloedrijk geworden dat hij wellicht de meest invloedrijke figuur in de regering was na Reagan zelf. Strobe Talbott, destijds bij Time Magazine (en later Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken), vatte Perles impact als volgt samen: 

Perle had uiteindelijk meer invloed op het beleid inzake wapenbeheersing dan welke andere functionaris dan ook in de Amerikaanse regering.

-Deadly Gambits, Strobe Talbott, p. 17.


EEN NEO-REAGANDOCTRINE: OORLOGEN IN HET MIDDEN OOSTEN

"Elke geschiedenis van de mars van de regering-Bush naar de oorlog met Irak zal rekening moeten houden met jarenlange vastberaden belangenbehartiging door een kring van intellectuelen op het gebied van defensiebeleid, van wie de opvatting dat Saddam Hoessein niet langer getolereerd of ingedamd kan worden nu de overhand heeft. … In het centrum van deze groep staan de langdurige Irak-haviken, Republikeinen zoals onderminister van Defensie Paul D. Wolfowitz; Richard Perle, een voormalig defensiefunctionaris uit de Reagan-regering die nu het Defense Policy Board leidt, het adviesorgaan van het Pentagon; en William Kristol, die stafchef was van vicepresident Dan Quayle en nu het conservatieve tijdschrift The Weekly Standard redigeert."

-The New York Times, “The Brains Behind Bush's War Policy”, Todd S. Purdum, 2003.

De grootste prestatie van het neoconservatisme is dat het een hele nieuwe generatie neocons heeft gecreëerd. Toen Irving Kristol en Norman Podhoretz er voor het eerst op uit trokken om het denken van links en het bredere publiek te hervormen, telde de beweging misschien slechts twee dozijn mensen. Vandaag, zijn hun intellectuele nakomelingen vrijwel ontelbaar en diep ingebed in de media, denktanks, overheid, politiek en universiteiten. John Podhoretz en William Kristol zijn zonen van de oorspronkelijke neocons. Elliott Abrams, Podhoretz’ schoonzoon, samen met Richard Perle en Paul Wolfowitz, waren jonge neocons in de jaren zeventig en tachtig die helemaal tot de top van de beweging klommen.

William Kristol, ook wel Bill genoemd, springt eruit als misschien wel de meest invloedrijke figuur onder de nieuwe generatie Joodse neoconservatieven. In 2003 schreef Sam Tanenhaus:

"Hij is de zoon van de schrijver en redacteur Irving Kristol … Onder George H.W. Bush werd hij op 36-jarige leeftijd stafchef van vicepresident Dan Quayle, met de opdracht een aura van ernst te creëren rond de meest lichtgewicht publieke figuur van dat moment. Quayle profiteerde misschien minder van de regeling dan Kristol, die veel publiciteit kreeg, soms ten koste van zijn baas. … Het was Kristol die het neoconservatisme-vlammetje in Washington brandende hield tijdens het Clinton-interregnum. … Zijn manifesten vielen Republikeinen aan omdat ze zich afzijdig hielden van de wereld en Democraten omdat ze er te naïef over waren. In januari 1998 genereerde Kristol een open brief aan Clinton – ondertekend door Perle, Wolfowitz en vijf anderen die nu belangrijke posities bekleden in de Bush-regering – waarin stond dat de “containment” van Irak had gefaald en de enige oplossing was “het regime van Saddam te verwijderen”. Maar niemand nam dit al te serieus. Het waren gewoon die rare neocons die weer nieuwe evil empires verzonnen."

-Vanity Fair, “Bush's Brain Trust”, Sam Tanenhaus, 2003.

Een van de essentiële punten in dit artikel is dat een van de grootste redenen waarom Joden zich zo fel tegen de Sovjet-Unie keerden, was Moskou’s enthousiaste steun was voor Arabische staten die Israël wilden vernietigen. Gepensioneerde viersterrengeneraal Wesley Clark, die Supreme Allied Commander van de NAVO was en Democratisch presidentskandidaat in 2004, biedt een blik in het neocon-denken. In een bekende video onthulde Clark dat hem op 20 september 2001, slechts negen dagen na 9/11, werd verteld dat de Bush-regering had besloten Irak aan te pakken, gevolgd door Syrië, Libanon, Libië, Somalië, Soedan en Iran. Tien jaar eerder, in mei 1991, had Clark een ontmoeting met Paul Wolfowitz. Volgens Clark zei Wolfowitz:

“Maar we hebben één ding geleerd dat heel belangrijk is. Met het einde van de Koude Oorlog kunnen we nu onze militaire macht straffeloos gebruiken. De Sovjets zullen niet komen om ons tegen te houden. En we hebben vijf, misschien tien jaar om deze oude Sovjet-surrogaatregimes zoals Irak en Syrië op te ruimen voordat de volgende supermacht opkomt om ons uit te dagen … We zouden iets meer tijd kunnen hebben, maar niemand weet het echt.”

-A Time to Lead: For Duty, Honor and Country, Wesley K. Clark, P. 150

“Met het einde van de Koude Oorlog kunnen we nu onze militaire macht straffeloos gebruiken. De Sovjets zullen niet komen om ons tegen te houden.” Deze uitspraak van Paul Wolfowitz vat perfect een van de diepste motivaties achter de felle anti-Sovjet-houding van de Joodse neocons samen. De Sovjet-Unie was de belangrijkste steunpilaar van Arabische regimes die openlijk de vernietiging van Israël nastreefden. Met de USSR verdwenen, kon Amerika nu vrijelijk zijn ongeëvenaarde militaire macht gebruiken om het Midden-Oosten te herschikken en die dreigingen te elimineren zonder vrees voor Sovjet-interventie:

"Het was president Bill Clinton die “regime change” in Bagdad het officiële beleid van de Verenigde Staten maakte en die in 1998 bijna tot oorlog kwam, maar uiteindelijk koos voor luchtaanvallen. Bijna alle kandidaten voor de Democratische presidentsnominatie van 2004 steunden het gebruik van geweld tegen Irak, met verschillende gradaties van voorbehoud en tegenzin. De kern van alle argumenten vóór oorlog met Irak is dat de Koude Oorlog-doctrine van containment, gebaseerd op rationeel handelen door de Sovjet-Unie, beperkt effect heeft in een wereld waarin de dreiging bestaat uit schimmige terroristische organisaties en hun “schurkenstaten”-bondgenoten zoals Irak, die niet vatbaar zijn voor traditionele afschrikking. Het is geen nieuw concept. Meer dan tien jaar geleden, als onderminister van Defensie voor beleid in de eerste Bush-regering, kreeg de heer Wolfowitz van Dick Cheney, toen minister van Defensie, de opdracht een nieuwe “Defense Planning Guidance” op te stellen, een brede richtlijn die bedoeld was om het beleid in een tweede Bush-termijn te sturen. Een vroege versie stelde voor dat Amerika, na het verdwijnen van de Sovjet-Unie, als doctrine moest nastreven dat geen nieuwe supermacht zou opstaan om de verlichte dominantie van de Verenigde Staten over de wereld uit te dagen. De Verenigde Staten zouden “gepostureerd zijn om zelfstandig op te treden wanneer collectieve actie niet kan worden gecoördineerd”, en de richtlijn ging vergezeld van scenario’s voor hypothetische oorlogen, waaronder een tegen een Irak waarin Saddam Hoessein herstelde van zijn nederlaag in de Golfoorlog. De taal werd later aangevallen als te oorlogszuchtig en afgezwakt, maar is effectief weer opgedoken als officieel beleid in de huidige Bush-regering."

-The New York Times, “The Brains Behind Bush's War Policy”, Todd S. Purdum, 2003.

De “Wolfowitz-doctrine” werd geleidelijk officieel Amerikaans beleid. De Defense Planning Guidance (DPG) van 1992 benadrukte Amerika’s ongekende leiderschap in de nieuwe wereldorde en onderschreef openlijk het principe van preventieve militaire interventie. Deze ideeën zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar in hoe de Verenigde Staten met andere landen omgaat. Zoals het document zelf stelde:

"Hoewel de VS niet de “politieman van de wereld” kunnen worden door verantwoordelijkheid te nemen voor het rechtzetten van elk onrecht, behouden wij de voornaamste verantwoordelijkheid om selectief die onrechten aan te pakken die niet alleen onze belangen bedreigen, maar ook die van onze bondgenoten of vrienden, of die de internationale betrekkingen ernstig kunnen verstoren. Verschillende soorten Amerikaanse belangen kunnen hierbij betrokken zijn: toegang tot vitale grondstoffen, voornamelijk Perzische Golf-olie; proliferatie van massavernietigingswapens en ballistische raketten, dreigingen voor Amerikaanse burgers door terrorisme of regionaal of lokaal conflict, en dreigingen voor de Amerikaanse samenleving door drugshandel."

-The New York Times, Excerpts From Pentagon's Plan: 'Prevent the Re-Emergence of a New Rival', 1992.

Hoewel de Clinton-regering de Defense Planning Guidance van 1992 ‘officieel’ verwierp, bleven veel van de kernprincipes stilletjes van kracht. Volgens de vooraanstaande historicus John Lewis Gaddis (een sterke verdediger van preventieve oorlog) volgde de Clinton-regering in wezen de geest van de Wolfowitz-doctrine. In een interview in januari 2003 legde Gaddis uit:

"Ik denk dat de geschiedenis van deze specifieke doctrine teruggaat naar één bepaald individu. Dat is Paul Wolfowitz tijdens zijn dienst in de eerste Bush-regering en de defensieherziening die plaatsvond in de laatste jaren van de eerste Bush-regering, die Wolfowitz in feite schreef – een doctrine van Amerikaanse hegemonie; een doctrine waarin de Verenigde Staten zouden streven om de positie te behouden die ze uit de Koude Oorlog hadden gehaald, waarin er geen duidelijke of plausibele uitdagers voor de Verenigde Staten waren. Dat werd in 1992 als behoorlijk schokkend beschouwd; zo schokkend dat de eerste Bush-regering het afwees. Maar ik denk dat het inderdaad de basis werd van het denken van die regering. Ik denk dat het stilzwijgend de basis was van het denken van de Clinton-regering. Ik denk dat er sindsdien, expliciet of impliciet, het gevoel is geweest dat we deze opmerkelijke positie van superioriteit die we in de wereld hebben, moeten vasthouden. Dat is dus één stroming die heeft bijgedragen aan de Bush-strategie hier."

-Interview met John Lewis Gaddis, 16 januari 2003.

Paul Wolfowitz werd geboren in een Joods gezin dat uit Warschau was geëmigreerd en zich in New York City had gevestigd. Hij was zelf een discipel van de filosoof Leo Strauss. In essentie was de Bush-doctrine van 2002 gewoon de Wolfowitz-doctrine die eindelijk officieel werd gemaakt. Al jaren voordat de Bush-doctrine werd geformuleerd, hadden de DPG en Wolfowitz de vraag al opgeworpen om een preventieve militaire aanval tegen Irak uit te voeren:

"In het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië is ons overkoepelende doel om de dominante buitenmacht in de regio te blijven en de Amerikaanse en Westerse toegang tot de olie van de regio te behouden. We streven er ook naar verdere agressie in de regio af te schrikken, regionale stabiliteit te bevorderen, Amerikaanse onderdanen en eigendommen te beschermen en onze toegang tot internationale lucht- en zeeroutes te waarborgen. Zoals aangetoond door Irak’s invasie van Koeweit, blijft het fundamenteel belangrijk om te voorkomen dat een hegemon of een coalitie van machten de regio domineert. Dit geldt vooral voor het Arabisch Schiereiland. Daarom moeten we een sterke rol blijven spelen door middel van versterkte afschrikking en verbeterde coöperatieve veiligheid."

-The New York Times, Excerpts From Pentagon's Plan: 'Prevent the Re-Emergence of a New Rival', 1992.

Zoals je kunt zien, waren zelfs vóór dat George W. Bush het Witte Huis betrad, de belangrijkste doctrines die zijn buitenlands beleid zouden definiëren al geformuleerd door Joodse neoconservatieven. In 1996 publiceerden William Kristol en Robert Kagan hun invloedrijke artikel in Foreign Affairs getiteld Toward a Neo-Reaganite Foreign Policy, waarin ze de Clinton-regering hard bekritiseerden voor haar gevaarlijke passiviteit tegenover de groeiende terroristische dreiging. Ze schetsten een onbeschroomd agressieve visie die draaide om “welwillende globale hegemonie”. Het meest onthullend was dat ze opriepen dat Amerika actief moest werken aan regime change in vijandige landen:

"En soms betekent het uitoefenen van die invloed niet alleen het steunen van Amerikaanse vrienden en andere naties zacht onder druk zetten, maar actief beleid voeren – in Iran, Cuba of China bijvoorbeeld – dat uiteindelijk bedoeld is om regime change te bewerkstelligen."

-Foreign Affairs, “Toward a Neo-Reaganite Foreign Policy”, William Kristol en Robert Kagan, 1996.

Het artikel diende als een duidelijke blauwdruk voor de preventieve oorlog- en regime change-strategie die later het buitenlands beleid van de Bush-regering na 9/11 zou definiëren. In 1997 had een speciaal nummer van The Weekly Standard de kop “Saddam Must Go”. Ze schreven:

"Het Amerikaanse beleid ten aanzien van Irak moet gericht zijn op het verwijderen van Saddam uit de macht… De enige zekere manier om Saddam te verwijderen is op de grond… Het is tijd om het ondenkbare te gaan denken."

-The Weekly Standard, “Saddam Must Go”, William Kristol en Robert Kagan, 1997.

Ze verwierpen beperkte luchtaanvallen als onvoldoende en riepen expliciet op tot een grondinvasie van Bagdad om de klus af te maken. En in 1998 stelde het in 1997 door William Kristol en Robert Kagan opgerichte Project for the New American Century een brief op aan president Clinton, ondertekend door achttien nationale veiligheids-haviken, waaronder Wolfowitz, Donald Rumsfeld en Richard Perle. De brief pleitte voor precies het soort preventieve invasie van Irak dat Bush vijf jaar later zou uitvoeren. Als reden voor zo’n invasie gaven ze dezelfde rechtvaardiging die Bush later zou gebruiken:

"De enige aanvaardbare strategie is er een die de mogelijkheid elimineert dat Irak massavernietigingswapens zal gebruiken of dreigen te gebruiken. Op korte termijn betekent dit een bereidheid tot militaire actie nu diplomatie duidelijk faalt. Op lange termijn betekent het het verwijderen van Saddam Hoessein en zijn regime uit de macht. Dat moet nu het doel worden van het Amerikaanse buitenlands beleid."

-Brief aan president Clinton van het Project for the New American Century (PNAC), 26 januari 1998.

Een ander interessant geval is het Clean Break-rapport, waarschijnlijk het bekendste van alles wat hier is geciteerd. Het werd in 1996 opgesteld door een studiegroep onder leiding van Richard Perle voor Benjamin Netanyahu, die dat jaar premier van Israël werd. De kernboodschap was dat Israël een “schone breuk” moest maken met de mislukte “land voor vrede”-aanpak en het Oslo-akkoord. Belangrijke aanbevelingen waren onder meer:

  • Regime change:

“Israël kan zijn strategische omgeving vormgeven … door Syrië te verzwakken, in te dammen en zelfs terug te dringen. Deze inspanning kan zich richten op het verwijderen van Saddam Hoessein uit de macht in Irak – een belangrijk Israëlisch strategisch doel op zichzelf.

  • Aanvallen op Syrië, inclusief op eigen grondgebied:

Het treffen van Syrische militaire doelen in Libanon, en mocht dat onvoldoende blijken, het treffen van geselecteerde doelen in Syrië zelf.

  • Hard beleid tegenover de Palestijnen, inclusief hot pursuit en het verwerpen van Oslo-verplichtingen:

Israël heeft geen verplichtingen onder de Oslo-akkoorden als de PLO zijn verplichtingen niet nakomt… Wij geloven dat de Palestijnse Autoriteit aan dezelfde minimale normen van verantwoording moet worden gehouden als andere ontvangers van Amerikaanse buitenlandse hulp.

Het document drong er bij Israël op aan het initiatief te nemen en elke schijn van zwakte te verwerpen: “Israël zal zijn vijanden niet alleen in bedwang houden; het zal ze overstijgen.”

-A Clean Break: A New Strategy for Securing the Realm

President Bush’ “axis of evil”-speech gaf hun ideeën een extra impuls, net als zijn West Point-speech in de zomer van 2002. Bush volgde deze uitspraken op in 2003, in een belangrijke toespraak voor het National Endowment for Democracy. Hier daagde hij Iran, Syrië en twee Midden-Oosterse bondgenoten, Saudi-Arabië en Egypte, uit om democratische hervormingen door te voeren en de omverwerping van Saddam Hoessein te zien als “een keerpunt in de mondiale democratische revolutie”. Bush vergeleek deze “forward strategy of freedom in the Middle East” met president Reagans toespraak in Engeland in 1982, waarin deze de mislukkingen van het communisme beschreef:

"In juni 1982 sprak president Ronald Reagan in Westminster Palace en verklaarde dat het keerpunt in de geschiedenis was aangebroken. Hij betoogde dat het Sovjetcommunisme had gefaald, precies omdat het zijn eigen volk niet respecteerde – hun creativiteit, hun genialiteit en hun rechten. President Reagan zei dat de dag van de Sovjet-tirannie voorbijging, dat vrijheid een momentum had dat niet kon worden gestopt. Hij gaf deze organisatie haar mandaat: bijdragen aan het momentum van vrijheid over de hele wereld. Uw mandaat was twintig jaar geleden belangrijk; het is vandaag even belangrijk."

-Bush-toespraak, U.S. Chamber of Commerce, Washington D.C., 20-jarig jubileum van het National Endowment for Democracy, 6 november 2003

Tegen het einde van 2003, toen de bezetting van Irak te maken kreeg met groeiende tegenslagen en geweld, raakten veel neoconservatieven gealarmeerd dat het politieke en beleidsleiderschap in Washington de wil verloor om de War on Terror te voeren. Als reactie publiceerden David Frum en Richard Perle "An End to Evil: How to Win the War on Terror", een vurige oproep tot de wapens om het gevoel van vastberadenheid en nationale wilskracht te herstellen dat Amerika direct na 9/11 had gekenmerkt.

Irak, Afghanistan, Syrie, Libanon, Libië, Somalië, Soedan en vandaag de dag, Iran. Dezelfde landen waarvan de gevolgen later in Europese wijken zichtbaar werden. Voor de neocons was de belangrijkste vraag nooit of iets conservatief of liberaal was, of het goed was voor Europa of Amerika. De belangrijkste vraag was de vraag van Podhoretz: is it good for the Jews?












































KrisPIJNPUNT

Onafhankelijk nieuws voor iedereen.

Neem contact op!

Heb jij een idee voor een confrontatie, mini-docu of een diepte-interview? Laat het mij weten.

Schenk een bedrag en sluit je aan!

Er zijn verschillende tiers waar je uit kunt kiezen! Ook kun je kiezen voor een eenmalige schenking.

Privacyverklaring

Cookies

© 2026 Terlouw Media
KrisPIJNPUNT

Onafhankelijk nieuws voor iedereen.

Neem contact op!

Heb jij een idee voor een confrontatie, mini-docu of een diepte-interview? Laat het mij weten.

Schenk een bedrag en sluit je aan!

Er zijn verschillende tiers waar je uit kunt kiezen! Ook kun je kiezen voor een eenmalige schenking.

Privacyverklaring

Cookies

© 2026 Terlouw Media
KrisPIJNPUNT

Onafhankelijk nieuws voor iedereen.

Neem contact op!

Heb jij een idee voor een confrontatie, mini-docu of een diepte-interview? Laat het mij weten.

Schenk een bedrag en sluit je aan!

Er zijn verschillende tiers waar je uit kunt kiezen! Ook kun je kiezen voor een eenmalige schenking.

Privacyverklaring

Cookies

© 2026 Terlouw Media